Het perspectief van de stijgende kapitaalmarktrente

Waarheen leidt de weg...?

De kapitaalmarktrente is de laatste weken sterk in beweging gekomen. We gebruiken daarvoor de 10Y-swaprente als de standaard. Deze is sinds januari 2020 negatief, met een dieptepunt in oktober, maar liet vanaf eind januari dit jaar een scherpe stijging zien. Op dit moment, eind maart, is de 10-jaars swaprente weer licht positief. Met welke risico’s moeten instellingen rekening houden?

De 10-jaars swaprente is ruim 12 maanden negatief geweest. De markten geven aan dat de recente stijging het gevolg is van het inflatiespook dat men hier en daar voorzichtig om een hoekje zag kijken, wellicht als gevolg van de stimuleringsmaatregelen van president Biden van de VS. Maar ook omdat de markt voorsorteert op het economisch herstel na de coronacrisis als gevolg van de uitrol van het vaccinatieprogramma. De ECB heeft hierop gereageerd door aan te geven dat het opkoopprogramma van leningen en obligaties weer aangezwengeld zou worden. Het effect hiervan is dat de stijging weliswaar gestopt is – als dat tenminste het directe gevolg ervan is – maar leidde in ieder geval niet tot een daling van de kapitaalmarktrente.

Het gevolg van de stijging van de kapitaalmarktrente is dat het verschil tussen de korte en de lange rente groter is geworden, waar dat lange tijd stabiel en zeer gering was. Dit wordt weergegeven met de rode stippellijn in bovenstaande figuur. Ofwel, de rentecurve is weer in enige mate ’steil’. Nog lang zo steil niet als ’vroeger’, toen een verschil van 2% tussen kort en lang niet ongebruikelijk was, maar nu vinden we 0,5% al steil.

Duurdere financieringen

Door de gestegen kapitaalmarktrente zijn de lange financieringen, hoewel nog relatief laaggeprijsd, toch een stuk duurder geworden. Samen met de toegenomen volatiliteit dwingt deze ontwikkeling extern financierende instellingen – die misschien enigszins in slaap waren gesust door de langdurig negatieve lange rente – weer oog te krijgen voor het renterisico dat zij mogelijk lopen. Hoewel de rente veelal nog ruimschoots onder hun interne rekenrente ligt, laat de stijging zien dat renterisico serieus genomen dient te worden. Ook al omdat de neiging bestaat om de rekenrente in projecties en business cases steeds lager te leggen.

De vraag is in hoeverre instellingen in staat zijn om rekening te houden met de volatiliteit en het renterisico. Woningcorporaties, bijvoorbeeld, mogen niet langer dan 6 maanden vooruit rente indekken. Een dergelijke beperking is er niet in de sectoren Onderwijs(1), Zorg en Lagere Overheden(2). Toch is in die sectoren de bereidheid om rentederivaten te gebruiken sterk gedaald, bij veel instellingen zelfs tot een nulpunt.

Rentederivaten

Maar ondanks de aversie voor rentederivaten mogen derivaten niet op een grote hoop worden gegooid. Renteswaps kunnen een negatieve waarde genereren, hetgeen in het verleden tot op zekere hoogte tot problematiek heeft geleid. Er zijn echter ook producten waarmee de instelling géén verplichting krijgt, maar slechts rechten. Dat zijn de producten waar een premie voor moet worden betaald. De huidige rentemarkt geeft de gelegenheid om tegen een relatief lage premie een ‘verzekering’ af te sluiten op het niveau van de rekenrente (exclusief de debiteurenopslag van de bank). De rentecap is daarvan een goed voorbeeld.

Met een rentecap wordt het risico van een stijgende korte rente (Euribor) afgedekt. Door de rentecap wordt een stijgende korte rente gemaximeerd tot het niveau waarop de rentecap wordt vastgelegd.

Iets minder gewild is de renteswaption, eveneens een product met een premie en daarmee met het voordeel dat er geen verplichtingen aan vast zitten.

Met een swaption wordt een optie op een toekomstige vaste rente gekocht. Daardoor wordt het risico van een stijgende lange rente (swaprente) afgedekt (gemaximeerd)

Alternatief voor rentederivaten

Voor wie toch de discussie over rentederivaten binnen zijn instelling niet opnieuw wil starten, zijn er de ‘leningen met uitgestelde storting’ of leningen met een zogenaamde forwardopslag. Dit zijn leningen die een vooraf overeengekomen stortingsdatum in de toekomst hebben – op het moment dat de investeringen volgens planning voldoende gevorderd zijn voor consolidatie – waarvan de forward-rente wordt afgesproken, op basis van de rentecurve op het moment van het vastleggen van de lening. Door de toch nog redelijk vlakke rentecurve is de forwardopslag beperkt, uiteraard afhankelijk van de lengte van de forwardperiode. Op deze wijze dekt de instelling haar renterisico van de toekomstige financiering af.

Om deze leningen te kunnen inzetten, is er wel een aantal randvoorwaarden. Hiervan is de belangrijkste dat de instelling over een financieringsarrangement met de bank dan wel over een bereidheid tot borging van het Waarborgfonds voor de Zorgsector moet beschikken. En die bank moet bereid zijn om forward-leningen af te sluiten. Lange tijd was dit het domein van de sectorbanken BNG en NWB, maar gaandeweg zijn er meer banken die deze mogelijkheid aanbieden. En anders is er nog het alternatief van de lening met depotconstructie. Daarbij wordt de rentecoupon ook reeds aan het begin van de investeringsperiode vastgelegd.

Tot slot moet de instelling beschikken over een goede, betrouwbare prognose van de financieringsbehoefte, waardoor de lengte van de forward en het volume van de financiering zo nauwkeurig mogelijk kan worden vastgesteld.

Maatwerk

Het indekken van het renterisico, ook van renteherzieningen, is maatwerk. Het is onder meer afhankelijk van de hardheid van de toekomstige kasstromen, van de kenmerken van de huidige leningenportefeuille, van afspraken in het vigerende financieringsarrangement met de bank of het waarborgfonds, maar ook van de ruimte die de exploitatie biedt om rentestijgingen op te vangen. Daarbij worden de mogelijkheden gekaderd door het treasurystatuut en de externe regelingen.

De rente op de geld- en kapitaalmarkt is al geruime tijd historisch laag en mogelijk blijft dat ook nog even het geval. Toch kunnen instellingen hun ogen niet sluiten voor het risico van een stijgende rente, zeker niet wanneer gerekend wordt met een langdurig lage interne rekenrente. Het afwegen van de risico’s en de mogelijkheden wordt daarom sterk aangeraden. Bij die afweging kan een ter zake deskundig en vooral onafhankelijk adviseur van toegevoegde waarde zijn.

Contact

Als u dit onderwerp verder wilt bespreken, neem dan contact op met Rob van Heesch of Hendrik Pons (foto rechts) via +31 35 692 89 89.

Deel dit artikel:

image