Liquiditeitsbuffer

Tijd om te gaan bufferen… of niet!

Afgelopen maand publiceerde het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) een nieuwe zienswijze op de gewenste aan te houden liquiditeitsbuffers door WFZ-deelnemers. Ook in de onderwijssector is er vanuit de onderwijsinspectie indirect een streefwaarde voor de aan te houden gelden bepaald. Een liquiditeitsbuffer kan worden gedefinieerd als de vrije middelen die een instelling tot haar beschikking heeft. Maar waarom zou een publieke instelling een liquiditeitsbuffer willen aanhouden? Het is immers publiek geld dat beter voor maatschappelijke doeleinden ingezet kan worden in plaats van op een spaarrekening op te potten? En wanneer je een liquiditeitsbuffer aanhoudt, hoe bepaal je dan de hoogte en de structuur ervan?


Een liquiditeitsbuffer zorgt ervoor dat een instelling incidentele, onverwachte financiële uitgaven kan opvangen. Voorbeelden van incidenten die effect hebben op de begroting zijn een forse toename van leerlingen/studenten, tijdelijk niet kunnen factureren door systeemstoringen en onverwachte hogere bouwkosten. Met een hoge kaspositie kan een instelling dit soort tegenvallers (gedeeltelijk) tijdelijk worden opgevangen. Echter, vaak zijn extra liquiditeiten niet standaard aanwezig, niet vrij te maken of onvoldoende toereikend, wat kan leiden tot financiële problemen. Daarom zien en/of voelen veel zorg- en onderwijsinstellingen de noodzaak om geld achter de hand te houden.


De hoogte van de buffer is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de kwaliteit van de kasstromen van de publieke instelling, het door het management gewenste comfort, de current ratio (gehanteerd door de onderwijsinspectie) en de seizoentrends. Ook is het goed om naar de richtlijnen in het publieke landschap te kijken. Zo hanteert het WFZ als algemene richtlijn tweemaal de maandomzet en sturen onderwijsinstellingen vaak op een minimale positie van tweemaal de maandelijkse salarissom. De gewenste omvang van de buffer kan dus sterk uiteenlopen, waardoor er over de aan te houden buffer geen eenduidige lijn te trekken valt.


De inrichting van de buffer is de volgende vraag op het lijstje. In de praktijk blijkt dat instellingen veelal hun eigen liquide middelen ‘veilig’ op een spaarrekening neerzetten als buffer voor eventuele incidentele tegenslagen. Maar ben je dan niet publiek geld aan het oppotten, dat beter ingezet kan worden ter verbetering van zorg of onderwijs? Bovendien heeft de huidige rentestand tot gevolg dat over spaarsaldi vanaf een bepaalde omvang rente moet worden betaald.


Een andere optie is het aanhouden van een rekening-courant krediet (R/C-krediet). Bij de inrichting van een R/C-krediet dient rekening te worden gehouden met een aantal aspecten. Eén daarvan betreft de vraag of het R/C-krediet gecommitteerd is. Een ander aspect is dat er bereidstellingprovisie in rekening wordt gebracht over het niet opgenomen deel en rente wordt betaald over het opgenomen deel.


Een derde optie is het aanhouden van een beleggingsportefeuille, uiteraard rekening houdend met de risicokaders die gelden voor de instelling of binnen de sector. Maar hoe sterk is je buffer nog als de markt tegenzit? En zijn de uitzettingen snel en zonder koersverlies liquide te maken? Om de keuze nog moeilijker te maken, kunnen de genoemde opties ook gecombineerd worden.


Kortom, een liquiditeitsbuffer kan een instelling comfort bieden en helpen om tijdelijk liquiditeitsspanningen op te vangen. Maar wat precies de optimale benodigde liquiditeitsbuffer is en hoe deze exact ingericht dient te worden, is niet eenduidig te beantwoorden. De inrichting van een liquiditeitsbuffer is maatwerk!

Meer weten over liquiditeitsbuffers?

Of neem contact op met Caroline Bongaerts

of Pauline Rademakers via +31 35 692 89 89.